kan het ook anders?

De auteurs van dit blog hebben niet de pretentie het ‘ei van Columbus’ gevonden te hebben, maar willen graag met een voorzet een debat op gang brengen over de manier waarop de kansen maximaal kunnen worden benut om op de bedreigingen te anticiperen. Wij grijpen daarbij eerst terug op de ervaring die in 2014 met de proeftuinen is opgedaan.

 

De ervaring elders

In een glanzend artikel op de website van Movisie wordt enthousiast gerapporteerd over de transformatie van de wijkzorg in Amsterdam Zuidoost (in het gebied Gaasperdam/Driemond) in het kader van één van de vijf proeftuinen. Het artikel zelf maakt niet echt duidelijk waar het enthousiasme op stoelt, maar vermoedelijk is dat gelegen in de gelijkwaardige participatie van bewoners, professionals en beleidsmakers. Bij de transformatie werd gevraagd wat bewoners vinden van het gemeentelijk beleid, welke obstakels zij ervaren in hun dagelijkse leven en hoe de zorg en ondersteuning er in hun ogen uit moet zien. Op die manier ontstond een door wijkbewoners gezamenlijk gedeelde werkelijkheid. Een andere belangrijke factor is de gebiedsgerichtheid. Bewoners, zorgprofessionals, vrijwilligers en beleidsmakers bevonden zich in een begrensd gebied van Amsterdam en voerden hun gesprekken binnen één context.

 

De brede dialoog tussen bewoners, zorgprofessionals en andere hulpverleners als startpunt

Het belang van de brede dialoog tussen de bewoners en de verschillende partijen die op één of andere manier zorg en ondersteuning leveren komt ook aan de orde in het onderzoek van het Zorginstituut Nederland naar de nieuwe zorg en zorgberoepen . Daarin spelen broedplaatsen een belangrijke rol, omdat daar interessante vernieuwing en samenwerking in de zorg plaatsvindt. Eén van die broedplaatsen is ‘Samen in één Feijenoord’ . In de rapportage over die broedplaats staat dat “van de 34 deelnemende organisaties het de uitvoerende professionals en het management [zijn] die daadwerkelijk betrokken zijn in het netwerk. Zij zijn de personen die te maken hebben met de burger, en zij hebben aansluiting op netwerken van vrijwilligers en mantelzorgers. De uitvoering heeft een belangrijke wijkcomponent omdat de focus, aanpak en projecten per wijk kunnen verschillen. Zo zet men in Vreewijk vooral in op ouderenzorg en in Hillesluis op GGZ-problematiek. In totaal bereiken de 34 partners 72.000 inwoners van Feijenoord.”

 

Geen top-down benadering

Als we naar de organisatie kijken dan valt op dat de samenwerking op wijkniveau niet door de gemeente geregisseerd wordt, maar door een zelfstandig samenwerkingsverband: “Een voorwaarde om deel te nemen aan ‘Samen één in Feijenoord’ is het onderschrijven van de visie en bereidheid om het netwerk in stand te houden. Het netwerk moet echt gedragen worden door de partners; zij moeten zich committeren aan de samenwerking en het gedachtengoed uitdragen. De projectleider toetst dit in een persoonlijk gesprek. Zo creëert het netwerk draagvlak en maakt het de partners verantwoordelijk. In de stuurgroep zit een afgevaardigde uit elke sector. Er zijn acht leden en een voorzitter.”

Dit laatste is van belang omdat het laat zien dat het mogelijk is om de eerder genoemde brede dialoog en daarop gestoelde samenwerking in een netwerk mogelijk is zonder directe bemoeienis van de centrale stad.

 

Zou dit een optie zijn voor de verdere ontwikkeling van de wijkzorg in Amsterdam?

Tegen deze achtergrond zou het volgende bestuurlijke arrangement binnen een aanbesteding van de wijkzorg op stedelijk niveau de eerder genoemde bedreigingen kunnen mitigeren en de kansen beter benutten:

 

  1. Bij de aanbesteding van de wijkzorg op stedelijk niveau voor 2016 zet de gemeente per wijk een ontwikkelbudget apart, waarop netwerken-in-spe binnen de wijk kunnen intekenen. Het ontwikkelbudget voor een netwerk is begrensd tot een bedrag (bijvoorbeeld € 2 per inwoner per jaar) en moet worden aangewend om het netwerk in stand te houden. Het budget wordt toegekend voor een meerjarige periode. Daarna wordt dit budget zodanig versleuteld bij de aanbesteding dat de continuïteit van de gevormde netwerken geborgd is. Het zou mooi zijn als de nieuwe wijkzorgallianties daarbij een faciliterende rol zouden kunnen spelen, omdat zij inmiddels het speelveld goed kennen. Daarbij kunnen zij in het oog houden of het werkingsgebied van het netwerk een adequate omvang heeft (de praktijk leert dat daarvoor tussen de 8.000 en 10.000 inwoners nodig zijn), dat alle relevante spelers binnen de wijk gepositioneerd zijn en dat partijen ‘er iets van willen maken’.
  2. Bij de eerste toekenning van ontwikkelbudgetten worden slechts procedurele criteria gehanteerd zoals:
    1. Intentieverklaringen van de relevante zorginstellingen en welzijnsorganisaties
    2. Participatie van bewoners, burgerinitiatieven en vrijwilligersorganisaties, die ook duidelijk aangeven welke bijdrage zij willen leveren
    3. Een door alle betrokken partijen getekende samenwerkingsovereenkomst met
      1. een visie op wijkzorg
      2. de manier waarop de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor hun bijdragen aan de wijkzorg delen (dus ook hoe zij met mogelijk rivaliserende functies omgaan)
      3. de doelen die men zich op korte termijn stelt
      4. de verwachte effecten van de samenwerking op langere termijn
  3. In de loop van het eerste jaar wordt onderzocht hoe de samenwerkingsverbanden kunnen worden geïnformeerd over de uitputting van budgetten, opdat zij dat bij hun werk kunnen betrekken.
  4. In de volgende toekenningsronden worden de samenwerkingsverbanden gevraagd een uitwerking van lange termijn effecten te geven in de vorm van gespecificeerde doelen voor het lopende jaar.
  5. Parallel hieraan zou de gemeente kunnen investeren in de toepassing van evaluatiemethoden zoals het meten van de ‘social return on investment’ op het niveau van de wijk.
  6. Het is niet noodzakelijk – en wellicht zelfs niet wenselijk – dat bij de komende aanbesteding dit soort samenwerkingsverbanden voor alle wijken in de stad worden ontwikkeld. Een kleinschalige start met bijvoorbeeld vijf  verbanden kan lering bieden voor volgende jaren.

 

Toetsing aan geformuleerde kansen en bedreigingen

Hieronder worden de kansen en bedreigingen summier afgezet tegen het geschetste arrangement.

 

  1. Hoe worden de kansen benut?
    1. De samenwerkingsverbanden doen meer recht aan professionele organisatieculturen omdat alle deelnemers  – ook de buurtinitiatieven – worden aangesproken op hun bijdrage. Een gedeelde verantwoordelijkheid voor de uitkomsten van de wijkzorg wordt een feit.
    2. Door de betrokkenheid van bewoners krijgen zij een duidelijke band met de zorg en ondersteuning en ontstaat een bredere visie op zorg. waarin niet de aanspraken op zorg, maar de uitkomsten centraal staan. Dat betekent dus ook dat de ‘voorzorg’, de preventie meer aandacht zal krijgen dan nu het geval is.
    3. In het verlengde hiervan zal ook meer draagvlak voor de definitie van gezondheid van Machteld Huber ontstaan: niet alles wat mogelijk is, is ook noodzakelijk.
    4. Daardoor zullen ook de mogelijke bijdragen van buurtinitiatieven en vrijwilligersorganisaties een plek krijgen. In de netwerken – waarin ook de bewoners en de vrijwilligersorganisaties participeren – zal een differentiatie van taken ontstaan waarvoor alle partijen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen.
    5. Dat betekent dat buurtinitiatieven zoals stadsdorpen zullen gaan onderzoeken wat zij kunnen bijdragen aan de realisatie van de visie. Dat zal per buurtinitiatief verschillend uitpakken. Het ene initiatief zal zich toeleggen op hand en spandiensten voor kwetsbare buurtgenoten en het andere zal zich inzetten om het sociale netwerk van oudere buurtbewoners te versterken. Zorgprofessionals zullen dan die bijdragen moeten leren waarderen vanuit de uitkomsten.
  2. Hoe worden de bedreigingen ondervangen?
    1. Door de expliciete discussie over de lange termijn effecten binnen een samenwerkingsverband zal een taken-middelen discussie onontkoombaar blijken. Omdat alle potentiële zorg- en hulpverleners participeren zal verandering van werkwijzen vanzelf aan de orde komen. Dat biedt perspectief op vernieuwing van de zorg.
    2. Omdat zorgprofessionals in een zichtbaar verband gaan samenwerken, ontstaan echte teams en wordt het leerproces van professionals (en andere hulpverleners) ondersteund.
    3. Het brede karakter van samenwerkingsverbanden bevordert een ontwikkelgerichte samenwerking tussen alle betrokken partijen en biedt een natuurlijke voedingsbodem voor gebiedsgerichte wijkzorg. Het evaluatieonderzoek van ‘Samen in één Feijenoord’ laat zien dat daarvoor wel een voortschrijdende bijstelling van doelen nodig is. Een helder geformuleerde visie helpt daarbij.
    4. Bij de samenwerkingsverbanden kunnen de huisartsenpraktijken en de gebiedsgerichte wijkzorg expliciet worden betrokken. De ervaring leert dat de betrokkenheid van buurtbewoners als katalysator werkt voor een grotere betrokkenheid.
    5. De kwaliteitsborging krijgt binnen de samenwerkingsverbanden een eigen plek. De gemeente zal echter zelf stevig moeten investeren in de instrumentatie om te voorkomen dat de borging een bureaucratisch karakter krijgt. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken aan visitatiemechanismen, waarbij verschillende teams bij elkaar op bezoek gaan om aan de hand van een helder protocol dat gebed is een visie op wijkzorg de uitkomsten te evalueren.

Leave a Reply

Your email address will not be published.